Het lijkt me dat de ballon , zolang de trein versneld , naar voren gaat mits hij geen tegenwind krijgt.
De molekulen in de ballon verplaatsen zich wel naar achteren maar de molekulen buiten de ballon hebben een grotere dichtheid en zijn zwaarder en duwen juist de ballon naar voren.
Ik hoop dat ik het goed heb, t’is nl. lang geleden dat ik met deze materie heb gespeeld.
Nou een gokje want daar heb ik nooit voor geleerd: Het (laatste) licht “reist” steeds verder en verspreid zich hierbij waardoor het steeds minder zichtbaar wordt omdat het (bij een lamp in een fractie van een seconde al) zo minieme lichtmoleculen (zeg ik dat goed?) zijn dat het niet meer waarneembaar is (en omdat het zo miniem is zal het denk ik ook niet overgaan in die volgende stadia waar jij het over hebt omdat het te weinig/klein is om de omgeving nog te verwarmen daar de omgeving warmer zal zijn)
Als je het licht van een ster bekijkt die veel feller is dan weet je dat je in het verleden kijkt. Dat licht is tig (licht-)jaren onderweg geweest om ons te bereiken, hieruit concludeer ik dat het licht dus niet zomaar plotseling weg kan zijn als je de lamp uitschakeld maar verder en verder straalt. Maar zoals gezegd is het van een lamp/vuurtoren/wat dan ook op aarde zo miniem dat je het toch niet meer kunt zien omdat het te verspreid is geraakt.
Dit is mijn idee erover en in simpele bewoording uitgedrukt.
Volgensmij worden fotonen geabsorbeerd door stoffen cq. oppervlakken. Dan wordt het licht omgezet in warmte. Zo absorbeerd zwart alle frequenties, en geel alle frequenties behalve die in het geel gebied. Die worden gereflecteerd. Omdat er altijd wel iets wordt geabsorbeerd, blijft er na het omzetten van de schakkelaar snel niets over (licht gaat immers redelijk snel :-)).
opdracht 1 is makkelijk.zolang je een versnelling of vertraging hebt en de ballon geen weerstand ondervindt van de lucht buiten de trein dan zal die naar voren of naar achteren gaan,afhankelijk natuurlijk van de richting van de trein.
de 2e opdracht is wat meer nadenkwerk maar ook niet zo moeilijk.als het licht uitgaat dan koelt de lamp af en gaat die de tegenover gestelde weg van het spectrum dan dat hij afgelegd heeft bij het aangaan.en als je dan in de koelkast kijkt dan gebeurt hetzelfde verhaal (nou ja,niet bij iedereen dan )
Volgensmij worden fotonen geabsorbeerd door stoffen cq. oppervlakken. Dan wordt het licht omgezet in warmte. Zo absorbeerd zwart alle frequenties, en geel alle frequenties behalve die in het geel gebied. Die worden gereflecteerd. Omdat er altijd wel iets wordt geabsorbeerd, blijft er na het omzetten van de schakkelaar snel niets over (licht gaat immers redelijk snel :-)).
Idd.worden de fotonen geabsorbeerd en veranderdde de frequentie van de magnetische straling.
Die wordt omgezet in warmte.
Een prachtig fenomeen dat aanduid zonder meetinstrumenten dat de frequentie omlaag gaat!
Maar er blijft dus na verloop van tijd (microsec.) niets meer over.
Ik heb er nog één. Hoe komt het dat een schaats op ijs glijdt. Algemeen wordt aangenomen dat door de druk onder de schaats het ijs de kleinste dichtheid aanneemt. De kleinste dichtheid heeft water. En dat water dan als glijmiddel fungeert. Dit is echter niet waar. De druk moet vele malen hoger zijn dan de druk die de schaats op het ijs zet. Hoe kan dit?
onder een hogere druk is het moment waarop water bevriest anders
het vriespunt is dan niet meer 0 graden celcius maar -xx.
de druk van het oppervlak van een persoon op een schaats is 70 kg/250mmx4mm ~=700N/1000mm2 ~=1.000.000N/m2
als je dat omrekent naar Pascal of kilobar vindt je in de tabellen de temperatuur waneer water bevriest
overigens is het oppervlak van ijs en schaatsstaal zo ruw dat bij beweging ook nog minimale hoeveelheid wrijvingswarmte vrijkomt maar die werkt maar voor miniscuul aandeel mee in de overgangszone’s
de druk op de schaats is niet hoog maar dat verdeeld over zo’n klein oppervlak is enorm…
ergo dat is waarom het op de bodem van de oceaan toch vele graden onder 0 is maar het watermolecuul in vloeibare vorm blijft.